
Alleen door keuzen te maken wordt het menselijk vermogen tot waarneming , tot oordelen, tot fijnzinnige gevoelens, tot geestelijke activiteit, en zelfs tot morele preferenties uitgeoefend. Wie iets alleen maar doet omdat het de gewoonte is, maakt geen keuze. Hij leert niets bij, noch in het onderscheiden van wat het beste is, noch in het begeren daarvan. Mentale en morele kracht gaan er, evenals spierkracht, alleen op vooruit wanneer ze worden aangewend. (...)
Wie de wereld, of zijn eigen deel ervan, zijn levensproject laat uitkiezen, heeft geen ander vermogenbehoefte dan aan het aapachtige vermogen tot nabootsing. Wie zijn project zelf uitkiest, maakt gebruik van al zijn vermogens. Hij moet zijn observatievermogen inzetten om te zien, zijn redeneer-en oordeelsvermogen om vooruit te zien, zijn werkzaamheid om aan het materiaal te komen voor het nemen van zijn beslissing, en wanneer de beslissing genomen is, moet hij de kracht en zelfbeheersing opbrengen om bij zijn weloverwogen beslissing te blijven. En deze kwaliteiten heeft hij nodig en oefent hij uit precies naar de mate waarin het deel van zijn gedrag dat hij inricht naar eigen inzicht en gevoelens, in omvang toeneemt. Het is mogelijk dat hij zonder een van deze dingen op een goede weg terechtkomt en aan schade ontsnapt. Maar wat zal dan in vergelijking met andere mensen zijn waarde zijn?
J.S. Mill, On Liberty. 1859, vertaling Ou.
No comments:
Post a Comment