
Het mooiste geschiedenisboek ter wereld.
"Stel je de rivier van de tijd voor, waar we nu in een vliegtuig langs gevlogen zijn. Helemaal achteraan, in de mist, zie je misschien nog de grotten van de mammoetjagers en de steppen waar het eerste graan groeide. De kleine puntjes daar zijn de piramides en de toren van Babel. In dit laagland hoedden de joden vroeger hun kuddes. Over die zee voeren de Feniciërs. Daar zie je een witte ster dalen, tussen de zeeën, en dat is de Akropolis, het symbool van de Griekse kunst. En aan de andere kant van de wereld strekt zich een donker bos uit waar de Indiase boetepredikers woonden en waar Boeddha verlichting vond. Verder naar voren zie je de Chinese muur en aan de andere kant de rokende puinhopen van Carthago. In die grote stenen arena lieten de Romeinen christenen verscheuren door wilde dieren. Die donkere wolken daar boven het land, dat is het onweer van de volksverhuizingen, in die bossen hebben de eerste monniken de Germanen bekeerd en onderwezen. Vanuit die woestijn daar veroverden de Arabieren de wereld, en hier heerste Karel de Grote. Op die heuvel zie je de burcht waar de strijd om de heerschappij tussen de paus en de keizer werd beslist. We zien de ridderburchten en iets dichterbij onderscheiden we steden met fraaie kathedralen; kijk, daar ligt Florence en daar staat de nieuwe SintPieter, die leidde tot de strijd met Luther. De stad Mexico gaat in vlammen op, de Armada gaat ten onder bij de Engelse kust. De walm die daar opstijgt is de rook van de brandende dorpen en ruïnes uit de tijd van de Dertigjarige Oorlog. En dat fraaie paleis in die grote tuin is het Versailles van Lodewijk XIV. Hier staat het leger van de Turken voor Wenen en iets dichterbij zie je de eenvoudigste kastelen van Frederik de Grote en Maria Theresia. In de verte horen we in de straten van Parijs de roep om vrijheid, gelijkheid en broederschap. Verderop zien we Moskou branden en we zien het winterse landschap, waar het grote leger van de laatste veroveraar ten onder ging. Vlak voor ons roken de fabrieksschoorstenenen horen we locomotieven fluiten. Het zomerpaleis in Peking ligt in puin, en vanuit Japanse havens vertrekken oorlogsschepen met de vlag van de rijzende zon erop. Hier dondert het geschut uit de Eerste Wereldoorlog. Gifgas trekt in wolken over het land. Hier, vanuit de geopende koepel van de sterrenwacht, richt de sterrenkundige zijn reuzetelescoop op de onvoorstelbare en verre wereld van de sterren. Maar onder ons en vooral voor ons hangt er nog mist, een ondoordringbare mist. We weten alleen dat de rivier verder stroomt, oneindig veel verder, in de richting van een onbekende zee. Laten we snel dalen met ons vliegtuig en naar de rivier gaan. Wanneer we vlakbij zijn, zien we dat het een echte rivier is. De golven bruisen als de golven van de zee. Er staat een flinke wind, er staan schuimkoppen op de golven. Kijk maar eens goed. Je ziet miljoenen, schitterende, witte luchtbelletjes, die bij elke golf ontstaan en weer verdwijnen. Telkens weer komen er nieuwe luchtbelletjes, en telkens verdwijnen ze weer, in het ritme van de golven. De golf draagt de luchtbelletjes maar heel even, dan zakken ze naar beneden en zijn ze weg. Ieder van ons is niets meer dan zo'n luchtbelletje, zo'n schitterend dingetje, zo'n minuscuul druppeltje op de golven van de tijd, die voorbijkomen en een ongewisse, mistige toekomst tegemoet gaan. Wij duiken op, kijken om ons heen, en voor we het in de gaten hebben zijn we alweer verdwenen. In de grote rivier van de tijd zijn we niet eens te zien. En telkens weer komen er nieuwe luchtbelletjes. Wat wij ons lot noemen, is niets anders dan onze strijd in het gedrang van de druppels, die slechts eenmaal met de golf omhoogkomen en meteen daarna weer onder gaan. Maar dat ogenblik willen we gebruiken. Het loont de moeite. "
Een Kleine Geschiedenis van de Wereld,
Ernst Gombrich (1985)
2006 Bert Bakker Amsterdam
No comments:
Post a Comment