Wednesday, September 12, 2007

Elegantie



Zowel de Salginatobel-brug van Robert Maillart als de Clifton-hangbrug van Isambard Brunel zijn sterke constructies; ze kunnen allebei rekenen op onze diepe eerbied voor het feit dat ze ons veilig over een levensgevaarlijke afgrond leiden – en toch is Maillarts brug de mooiste van de twee, omdat hij zo buitengewoon behendig en schijnbaar moeiteloos zijn plicht vervult. Met zijn logge metselwerk en zware stalen kettingen heeft Brunels constructie iets weg van een plompe man van middelbare leeftijd die zijn broek ophijst en luid de aandacht vraagt alvorens de sprong te wagen, terwijl Maillarts brug meer lijkt op een lenige atleet die zonder poespas naar de overkant springt, een bescheiden buiging maakt naar het publiek en het toneel verlaat. Beide bruggen leveren een gewaagd kunststukje, maar die van Maillart doet het ook nog voorkomen alsof zijn prestatie geen moeite heeft gekost – en het besef dat dit niet waar kan zijn maakt onze verwondering en bewondering er alleen maar groter op. In deze brug vinden we een subcategorie van schoonheid die we elegantie kunnen noemen, een kwaliteit die we tegenkomen wanneer een architectonisch werk zich met evenveel bevalligheid en efficiëntie als brute kracht een inspanning getroost – door iets op zijn plek te houden of te overspannen of door beschutting te bieden – en wanneer het zo bescheiden is niet de aandacht te vestigen op de moeilijkheden die het heeft overwonnen.

Both Robert Maillart’s Salginatobel and Isambard Brunel’s Clifton Suspension bridges are structures of strength; both attract our veneration for carrying us safely across a fatal drop—and yet Maillart’s bridge is the more beautiful of the pair for the exceptionally nimble, apparently effortless way in which it carries out its duty. With its ponderous masonry and heavy steel chains, Brunel’s construction has something to it of a stocky middle-aged man who hoists his trousers and loudly solicits the attention of others before making a jump between two points, whereas Maillart’s bridge resembles a lithe athlete who leaps without ceremony and bows demurely to his audience before leaving the stage. Both bridges accomplish daring feats, but Maillart’s possesses the added virtue of making its achievement look effortless—and because we sense it isn’t, we wonder at it and admire it all the more. The bridge is endowed with a subcategory of beauty we can refer to as elegance, a quality present whenever a work of architecture succeeds in carrying out an act of resistance—holding, spanning, sheltering—with grace and economy as well as strength; when it has the modesty not to draw attention to the difficulties it has surmounted.

Alain de Botton, The architecture of happiness.
2006

No comments: