Tuesday, March 03, 2009

Een hommage aan Darwins evolutieleer.
Uit Multatuli's "Geschiedenis van Woutertje Pieterse" (1862-1877)


—Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig, (...) je bent ’n zoogdier.

Ik erken onbekwaam te zijn tot geschiedschrijver van de crisis die er volgde op dat vreselijk woord.

Juffrouw Laps, die meer rechtstreeks dan de anderen was aangevallen (…) liet haar gelaat alle kleuren aannemen die gewoonlijk gebruikt worden om toorn af te schilderen. De voorlaatste Franse romanschool ging tot groen, maar wijl ze geen Frans las, bepaalde zij zich tot ’n schrikinboezemend violet, en riep... neen, ze riep niets, want ze had geen adem. Maar ze kneep haar janhagel* tot gruis, en zag beurtelings Stoffel en diens moeder aan, op ’n wijze die haar zeer zou hebben bezwaard in rechten, als deze personen dien avond waren komen te overlijden.

Stoffel ontging haar blik door, nagenoeg op de manier der inktvissen als ze onaangenaamheden voorzien, zich te hullen in ’n dikke wolk van rook. Maar de arme juffrouw Pieterse die niet rookte, was wapenloos. Ze stamelde deemoedig:
—’t Staat in ’n boek, ’t staat waarachtig in ’n boek! Och, lieve mensen, wees bedaard... ’t staat in ’n boek! (…) Stoffel, haal dan toch je boek, riep de moeder, en wijs ’t toch aan de juffrouw... ach lieve god, wat heb ik begonnen!
—Loop naar de hel met je boek en je zoogdieren. Je hebt me niets te wijzen in je boek, dat zeg
ik je! (...)

Allen waren opgestaan en wilden vertrekken. “Men kon veel verdragen, maar dàt niet.” Juffrouw Krummel zou ’t geval meedelen aan haar man. Juffrouw Zipperman aan de assurantie of ’t kadaster. (...) Kortom, ieder wilde dezen of genen deelgenoot maken van de zaak, en de hemel weet of ’t bij die bedreiging zou gebleven zijn, als niet ter-goeder-uur de huisgenius der Pietersens op dat ogenblik aan de bel had laten trekken door den waardige man die we zo wanhopig deugdzaam achterlieten in ’t vorige hoofdstuk. (...)

Meester [Pennewip], riep ze, is ’t waar of niet, dat juffrouw Laps ’n zoogdier is?

(...) Hij keek over z’n bril heen en beschreef langzaam ’n kring met z’n blik, die overal vooruitgestoken hoofden ontmoette, met lange halzen, open mond en teruggehouden adem. Vooral juffrouw Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat duidelijk zei: antwoord of sterf, ben ik ’n zoogdier? (…)
—Ah... zoo! Juffrouw Laps, gij behoort inderdaad tot de klasse der zoogdieren.

Er slaakte zich in ’t gezelschap ’n tienvoudige zucht. Juffrouw Pieterse triomfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers, is ’n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partijen of mogendheden zijn voortdurend in op- of nedergaande beweging.

De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevigheid van zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelijkheid zou uitwerken:
—Maar, meester, hoe kan u dat zeggen? Mijn vader was in de granen...
—Juffrouw Laps, antwoord mij...
—Gut ja, meester, maar...
—Antwoord mij juffrouw Laps: waar woont gij in, of juister uitgedrukt; wáárin woont gij?
—Waarin ik woon? Wel... in m’n kamer, hieronder... twee ramen... vrije opgang... kwart in den regenbak beneden...
—Dit was geenszins de bedoeling mijner vraag, juffrouw Laps, Derzelver bedoeling was, te weten of gij behoort tot de bijzondere klasse van bewerktuigde wezens welke zich ophouden in ene oesterschelp?
—Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, dáárop komt de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje!

En Stoffel voegde er bij dat eigenlijk de heele zaak dáárop neerkwam.

Juffrouw Laps zag in dat ze dan ’n verloren mens was, want ze moest erkennen dat ze haar gewoon verblijf niet hield in ’n oesterschelp.

Dit was ’n illusie van ’t schepsel.

Met verbazing zag zij de meester aan, die zich volstrekt niet stoorde aan de indruk zijner ondervragingen, en met iets rechterlijks in toon en pruik, voortging:
—Kunt gij leven in ’t water? Hebt gij kieuwen?
—In ’t water? Maar, meester...
—Of half in ’t water, half op het land?
—Meester hoe zou ik...
—Antwoord mij, juffrouw Laps. Hebt gij koud bloed? Brengt gij levende jongen ter wereld?
—’t Is zonde, meester.
—Kunt gij eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit: kunt gij eieren leggen... hè?

Dàt kon ze niet!

—Dan zijt gij een zoogdier, juffrouw Laps.

Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich ’t gezelschap voorstelt, na dit verschrikkelijk vonnis, dat geen hoger beroep toeliet, want Pennewips gelaat had het voorkomen van ’n gewijsde. Ook was er geen spoor van gratie in z’n saamgeknepen wenkbrauwen.

* janhagel: soort koekje

Deze tekst heb ik enorm ingekort. Niet overal heb ik vermeld waar tekst is weggelaten. De weggelaten tekst maakt de hele situatie nog heel wat boeiender maar op deze blog hou ik het liever beperkt. Extra literatuur: http://www.woutertjepieterseprijs.nl/WPP/2005/MissLaps.htm


No comments: