Thursday, May 05, 2011

Voor Annika & Liesbet

Ik zal je eens wat vertellen (...). Het huis waar je betbetovergrootmoeder en ik na ons trouwen gingen wonen zag uit op een kleine waterval aan het eind van de Joods-Menselijke breuklijn. Houten vloeren waren het, hoge ramen, en ruimte zat voor een groot gezin. Een mooi huis was het. Een goed huis.

Maar die waterval, hè... Horen en zien vergaan je hier, zei je betbetovergrootmoeder toen we er waren ingetrokken.
Geef het wat tijd, zei ik. Zoiets heeft tijd nodig.
En ik zal je vertellen, ook al was het hartstikke klam binnen, en was de voortuin altijd één grote modderzooi door het opspattende water, en moesten de muren elk halfjaar opnieuw gepleisterd worden, en kwam er het hele jaar door een sneeuw van verfbladders van de plafonds, het bleek uiteindelijk toch waar te zijn wat ze zeggen van mensen die bij een waterval wonen.
Wat zeggen ze dan? vroeg mijn grootvader.
Dat mensen die bij een waterval wonen het water niet horen.
Zeggen ze dat?
Dat zeggen ze, ja, en het klopt ook. Kijk, je betbetovergrootmoeder had wel gelijk, hoor, in het begin. Toen was het vreselijk. Wat een herrie! Je kon maar een paar uur aan een stuk binnen zijn. In de eerste twee weken deden we 's nachts amper een oog dicht en maakten we zoveel mogelijk ruzie om dat water maar te overstemmen. Ruzie maken was de enige manier om elkaar aan onze liefde te herinneren, om onszelf te bewijzen dat we elkaar niet onverschillig lieten.
Maar in de weken erna werd het al wat beter, konden we elke nacht al een paar uur slapen en werden de maaltijden niet al te erg meer verpest. Je betbetovergrootmoeder vervloekte het water nog steeds, maar minder vaak, en met minder woede. Het water was nog steeds een vijand, maar niet meer zo'n monster. En haar aanvallen op mij werden ook milder. Het is jouw schuld, zei ze alleen nog maar. Jij wilde hier komen wonen.
En het leven ging verder, wat het leven nu eenmaal doet, en de tijd verstreek, wat de tijd nu eenmaal doet, en dik twee maanden later zaten we op een ochtend samen aan tafel, wat we niet al te vaak meer deden, en ik vroeg: hoor je dat? Ik zette mijn koffie neer en stond op. Hoor je dat, Brod?
Wat moet ik horen? vroeg ze.
Precies! riep ik uit. En ik rende naar buiten en balde mijn vuist naar de waterval. Precies!
We gingen in het water staan dansen, gooiden er handenvol van in de lucht, en we hoorden niks. We vielen elkaar in de armen en schreeuwden overwinningskreten naar het water. Wie heeft er nou gewonnen, hè? Wie heeft er gewonnen, waterval? Wij! Wij!
En zo is het om bij een waterval te wonen, Safran. Net zoals iedere weduwe op een ochtend wakker zal worden, na jaren van constant verdriet misschien wel, en dan opeens moet vaststellen dat ze de hele nacht heeft doorgeslapen, en dat ze trek heeft in ontbijt, en niet meer voortdurend de geest van haar overleden man hoort rondspoken, alleen nog maar af en toe. Haar verdriet heeft plaatsgemaakt voor een treurigheid waar ze mee uit de voeten kan. Elke ouder die een kind verliest zal ooit een manier vinden om weer te kunnen lachen. Het snerpende trekt eruit. De rand wordt minder scherp. De pijn wordt minder. En zo is elke liefde uit verlies gesneden. De mijne was het. De jouwe is het. Die van je achterachterachterkleinkinderen zal het zijn. Maar we leren te leven met die liefde.


FOER, J.S, Alles is verlicht. Dwarsligger (Amsterdam), 30ste druk, 2009, p. 303.

1 comment:

heleen said...

mooi!