Friday, December 08, 2006

"Hm!"

Een schrijver is ijdel als… een man. Spreek kwaad van zijn moeder of van de kleur zijner haren, zeg dat hij een Amsterdams accent heeft (…) –wellicht vergeeft hij u die dingen. Maar… roer nooit aan de buitenzij van ’t kleinste onderdeel ener bijzaak van iets dat er lag naast zijn geschrijf… want dát vergeeft hij u niet! Als ge dus mijn boek niet schoon vindt, en ge mocht mij ontmoeten, houd u dan alsof wij elkander niet kenden.

Neen, zelfs zulk een hoofdstuk ‘ter afwisseling’ komt me door het vergrootglas mijner schrijversijdelheid, hoogst belangrijk en zelfs onmisbaar voor, en als ge het oversloegt, en daarna niet naar behoren waart ingenomen met mijn boek, zou ik niet aarzelen u dat overslaan te verwijten als oorzaak dat ge mijn boek niet kondet beoordelen, want dat ge juist het essentiële niet gelezen hadt. Zó zou ik –want ik ben man en schrijver- elk hoofdstuk voor essentieel houden, dat gij hadt overgeslagen met onvergeeflijke lezerslichtzinnigheid.
Ik verbeeld me dat uwe vrouwe vraagt: ‘is er nogal wat aan dat boek?’
En ge zegt bijvoorbeeld –horribile auditu voor mij- met de woordenrijkheid die eigen is aan gehuwde mannen:
- Hm… zó… ik weet het nog niet.
Welnu, barbaar, lees verder! Het belangrijke staat juist voor de deur. En met een bevende lip staar ik u aan, en meet de dikte van de omgeslagen bladen, en ik zoek op uw gelaat naar de weerschijn van ’t hoofdstuk ‘dat zo mooi is…’
Neen, zeg ik, hij is er nog niet. Straks zal hij opspringen, in vervoering iets omhelzen, zijn vrouw misschien…
Maar ge leest verder. Het ‘mooie hoofdstuk’ moet voorbij wezen, dunkt me. Gij zijt in ’t minst niet opgesprongen, hebt niets omhelsd…
En al dunner wordt de bundel bladen onder uw rechterduim, en al schraler wordt mijn hoop op die omhelzing… ja, waarachtig, ik had zelfs staat gemaakt op een traan!
En ge hebt de roman uitgelezen tot ‘waar ze elkaar krijgen’ toe, en ge zegt – een andere vorm van welsprekendheid in de echtestaat – geeuwend:
- Zó… zó! ’t Is een boek dat... hm! Och, ze schrijven zo véél tegenwoordig!
Maar weet ge dan niet, ondier, tijger, Europeaan, lezer, weet ge dan niet dat ge daar een uur hebt doorgebracht met bijten op mijn geest als op een tandenstoker? Met knagen en kauwen op vlees en been van uw geslacht? Menseneter, daarin stak mijn ziel, mijn ziel die ge hebt vermaald als eens gegeten gras! ’t Was mijn hart dat ge daar hebt opgeslikt als een versnapering! Want in dat boek had ik dat hart en die ziel neergelegd, en er vielen zoveel tranen op dat handschrift, en mijn bloed week weg uit de âren naarmate ik voortschreef, en ik gaf u dat alles, en dat kocht ge voor weinige stuivers… en ge zegt: hm!

De lezer begrijpt dat ik hier niet spreek over mijn boek.


Uit
Max Havelaar, Multatuli, 1860

No comments: