Uit het open raam meldt Radio Brussel het lossen van de duiven uit de Franse steden. De postbode belt aan bij zijn dertienjarige meesteres. Zij, Lucie, komt in de deuropening. Haar oogleden zijn gezwollen alsof ze de hele nacht heeft gehuild. Haar nukkige lippen lachen zonder dat ze bewegen. De postbode die door de rit in de welden niet is afgekoeld zet zijn kepie af, waait ermee voor zijn gezicht.
'Waar is uw moeder?'
'Dat gaat u niet aan,' zegt Lucie.
'Ik heb iets bij me dat uw hartje sneller zal doen kloppen.'
'Uit Duitsland?'
'Dat zou kunnen.'
'Geef mij de brief.'
'Eerst wat ge mij beloofd hebt.'
'Ik? Wat heb ik u beloofd?'
'Verleden week. Ge weet wat.'
'De prijs is opgeslagen.'
'Hoeveel?'
'Honderd frank.'
'Zijt ge zot geworden, Lucie?'
'Dan niet.' Zij steekt de punt van haar tong uit.
De postbode zijn hitsige kop gaat heen en weer. Geen mens op straat. Hij zet zijn kepie op. Hij neemt de brief uit de postzak, en wuift ermee voor zijn gezicht. Zij grijpt de brief en gaat naar binnen. Hij volgt. Zij scheurt de envelop open. Leest. Gaat zitten. De postbode staat bij het raam en ziet de lege straat. In de verte, bij het gemeentehuis hinkelen kinderen. Dat zie je ook niet veel meer. De postbode sjort aan zijn das. Het lijkt wel alsof de kachel aan staat. Hij neemt de brief uit haar vingers.
'Liefste Lucie.' Hij brengt de brief bij zijn neus. 'Hinnomsheim. Ik ben zo eenzaam zonder jou, niets kan bij binden bij mijn vrinden, bij hen kan ik het niet meer vinden, het liefst ben ik altijd bij jou. Roger Vandelanotte. P.S. Met Jefke gaat het goed.'
'Wie is Jefke?'
Zij legt haar hand in haar schoot en steekt haar wijsvinger omhoog.
'Proper,' zegt de postbode. 'Dat zijn toch geen manieren om zoiets aan een kind van dertien jaar te schrijven. Jefke.'
Een vuilniswagen rijdt voorbij met kwetterende jongelui in overalls. Verbeeldt de postbode het zich of kijken alle vier de jonge geile mannen naar de gevel van Lucies huis?
Hij scharrelt in zijn klamme broekzak, in de andere broekzak, in zijn rechterjaszak en vindt zijn portemonnee, haalt er een briefje van honderd frank uit. Lucie ziet het niet, wil het niet zien. Hij neemt haar koel vuistje en wringt er het biljet in.
'Dank u,' zegt hij.
'Dank u.'
'Ik ben nogal gehaast,' zegt de postbode, 'ik moet mijn ronde nog doen.'
'Eerst wil ik een sigaret.'
'Gij zijt veel te jong.'
Ze steekt haar benig gezicht met de volle lippen geluidloos, honend naar voor zoals Brigitte Bardot, waarvan zij de rood-en-witte ruitjesrok draagt.
'Ik wil een si-ga-ret.'
'Op uw leeftijd, Lucie. De nicotine, mijn engel!'
Zij rolt het bankbiljet tot een vingerdik staafje, stopt het in haar mond.
'Dan rook ik dit. Geef mij uw aansteker.'
Het zweet gutst in zijn nek. Zijn handen zijn gezwollen als hij zijn verfrommeld pakje Groene St. Michel opent en haar een sigaret geeft. Zij steekt de sigaret achter haar oor, een bleke dubbelganger van het staafje in haar mondhoek. Zij kijkt op haar polshorloge. 'O.K.,' zegt ze. 'Voor honderd frank.'
Zij tilt het Vichyjurkjeop, haar delicate vingers knijpen in de zoom. De postbode ziet een bultig pakje in haar broekje dat wit is met roze vegen.
'Ziet ge?'
Hij is sprakeloos. Dan stottert hij. 'Dat, dat, moet ik niet zien.'
'Wilt ge uw honderd frank terug?'
Hij knikt.
'O.K.,' zegt ze, 'ik ben sportief.' Ge krijgt ze, uw honderd frank, mijn zoetje, mijn melkkoetje, fijn facteurke mijn.' Zij trekt het propje en de rand van haar broekje opzij, er is krullerig nat dons te zien. Zij haalt de opgerolde honderd frank uit haar mond en brengt die bij haar binnen, in de andere mond.
Op dat ogenblik, precies op dat voorbestemd, hachelijk moment stopt de Fiat van Lucies moeder met schrille remmen voor het huis.
Zonder enige haast, haalt Lucie de slappe honderd frank tevoorschijn en stopt die in de borstzak van Edmond Staelens uniformjas. De postbode schuifelt naar het raam, het is bewasemd, maar toch kan hij Lucies moeder in haar auberginekleurige jurk bezig zien met haar boodschappentas.
'Kijk eens wie hier is, mama,' roept Lucie opgewekt.
Mama brengt haar tas naar de keuken, komt terug, zij lijkt op haar hoede.
'Zijt ge hier al lang?'
'Een minuutje of vijf,' zegt de postbode.
'Was er post?'
'Een briefje van Roger,' zegt Lucie poeslief en trekt haar zedige jurk glad over haar onschuldige knieën.
'Mens, Staelens, gij zweet,' zegt mama.
'Het is van de stress. Bij De Post hebben wij daar allemaal nogal rap last van. Ik kom van bij Félicien. Hij ligt daar maar te liggen. Iemand die ge uw hele leven gekend hebt en gaarne gezien.'
'Een druppelke misschien?'
'Als het niet derangeert.'
De postbode sipt. Lucie wiebelt met haar benen, houdt ze in bedwang. De brand van de Noord-Franse jenever woedt in de maag van de brievenbesteller Staelens. Als hij tersluiks naar Lucie kijkt ligt haar rechterhand in haar kruis. Alleen een overhitte toeschouwer als de brievenbesteller let op die hand met de gekromde bedarende middelvinger die bijna onopmerkbaar beweegt en op het hels plezier in Lucies ogen.
Hugo Claus, De Geruchten , De Bezige Bij, Amsterdam, 1998.
No comments:
Post a Comment