Het was een gevaarlijk mooie dag. Stevige windvlagen, overeenkomstige wolken en een woeste leeuw van een zon lieten de blik rondwaaien, deden de witte plankenhuizen en gemaaide grasvelden van Newport bewegen, zodat ze onmogelijk rechtuit te zien waren. 'Mensen,' spoorde de gids aan, 'ga lekker zitten en laat het op u afkomen'. Maar wat op je af kan komen kan je ook overweldigen. Enid had van de afgelopen vijfenvijftig uur er zes geslapen, en op het moment dat Sylvia haar bedankte dat ze haar had meegevraagd, merkte ze dat ze geen energie meer had voor de excursie. De Astors en de Vanderbilts, hun lusthoven en hun geld: ze werd er ziek van. Ziek van het benijden, ziek van zichzelf. Ze begreep niets van antiek of architectuur, ze kon niet tekenen zoals Sylvia, ze las niet zoals Ted, ze had weinig interesses en nergens verstand van. Een talent voor liefde was het enige wat ze ooit gehad had. En dus sloot ze zich af van de gids en richtte haar aandacht op de oktoberschuinte van het gele licht, de hartverscheurende intensiteit van het seizoen. In de wind die golven door de baai duwde rook ze het naderen van de avond. Het nam snel bezit van haar: mysterie en pijn en een vreemd, smachtend bewustzijn van mogelijkheden, alsof verdriet iets was wat je zocht, waar je op af ging.
FRANZEN, J., De correcties. Prometheus, Amsterdam, 2010, p. 278-9.
2 comments:
Zo mooi
Hoe ontzettend mooi deze!!
Post a Comment