Over Samarinde heb ik je nog niet eerder geschreven. Dat alles anders was, en dat kwam door haar. Ik ruimde voor het eerst in acht jaar mijn kamer op, en dat kwam door haar. Ik deed al mijn andere vrouwen zonder al te veel emotie de deur uit en ik zat uren op mijn balkon te genieten van de zwoele kou, de voornachtgeluiden en de overweldigende geur van verliefdheid in mijn kleren, en dat kwam door haar. (...) Ik dacht aan haar, en dat kwam door haar. Ik moest zuchten als ik aan haar dacht, ik zeg het gewoon eerlijk. De geur van brandend kachelhout in de straten was zij, de muziek uit mijn speakers zij, de gloed van het roze avondlicht boven de stad zij, mijn hoofdkussen voor eeuwig zij.
Het was tijdens haar eerste nachtdienst begonnen, deze oerknalverliefdheid, die gevoed werd door de schaarse keren dat ze thee bij me kwam drinken in mijn portiersaquarium, door dat moment waarop we zonder al te veel aanleiding arm in arm naar de nachtkeuken liepen en ik bij de gang naar de röntgenafdeling een enorm virtueel spandoek zag hangen met de tekst: JE MOET JE NU NAAR HAAR TOE BUIGEN EN MET JE TONG HAAR MOND VERKRACHTEN – waarop ik natuurlijk niets deed.
Want het domme was goddomme dat ik maandenlang niets, echt niets durfde ondernemen. Ik wist niet wat me bezielde, ik dacht aan haar, ik vertelde lyrisch over haar aan Monk & Thijm, aan wildvreemden, aan de caissière van de Dagmarkt aan de Biltstraat (…), en omdat begeren vooruitzien is, fietste, liep, kroop, vloog, zweefde, huppelde, skippybalde, radslagde en zwalkte ik langs dan weer café De Wingerd en dan weer het ziekenhuis om haar te zien, en godbetert dat ik desondanks nada rien nothing had bedacht. En met bedenken bedoelde ik lange brieven schrijven, onverwachts maar wel strategisch langskomen met een ernstig letsel of een stekend buikgezwel, haar naam op mijn voorhoofd tatoeëren, me in een tochtige kerk voor een vervallen altaar op het koude plaveisel storten om haar mee uit eten te vragen (hè ja, romantisch…), haar aan haar haren mee naar een kroeg slepen en stomdronken voeren, zelf ook medicijnen gaan studeren en dan samen een ziekenhuis oprichten waar alleen zij en ik behandeld mochten worden, dat soort dingen.
Ik bedoel: zij was een vrouw uit de buitencategorie, een dokteres nota bene die zich verwaardigde om te gaan met een bebrild schrijvertje, type Eeuwige Nachtportier. Na een vreselijke bloednacht in het ziekenhuis zoenden we heel minilillistondig, eindelijk, bij haar in de straat, zachtjes zodat niemand het kon horen, nog zachter Giph en vooral niet van je fiets vandaan giph, en nee, ik heb geen thee (te stoer om te zeggen: meisjesdokter, jeruiktzozoetjebentzozacht), kom Gip, naar verderop in de straat, weer zoenen, mijn hand op haar trui, ik weet niet wat ik nu moet doen zonder de situatie nog pijnlijker te maken. Ze zei: ‘Ik weet niet of het wel zo goed is wat we nu doen, ik bedoel met het oog op het ziekenhuis…’ Ik zei dat ik dat ook niet wist, hoewel ik haar daar eerlijk gezegd (schijt aan de poepwereld) het liefst had ontkleed, of in ieder geval heel teder had willen optillen om haar in langzame tred naar het dichtstbijzijnde park te dragen, haar tussen jasmijn te leggen, seringen, velddistels, lelies, boterbloemen, haar te besprenkelen met morgendauw, haar ogen te sluiten en naar haar te kijken, een paar honderd jaar achter elkaar. Ik was gewoon geil, geloof ik.
Uit: Ik omhels je met duizend armen, Ronald Giphart, 10de druk 2004, Amsterdam/Podium, 2001
No comments:
Post a Comment