
Doornroosje,
Ik weet niet hoe ik hier terecht ben gekomen, aan de oever van deze rivier.
De hele wereld, mijn hele leven, ligt aan de overkant.
En toch ben ik hier, aan deze kant, en heb ik het eigenaardige, bijna verlammende gevoel dat ik hier altijd ben geweest, op deze smalle oever, die bij langdurige regenval zal overstromen, in dit dorre gras.
‘Ah, prins, ik weet hoe het zit: u bent gespleten, u schrijft uzelf twee zielen toe: een lichte ziel vol beweging en een stille donkere ziel’, roep je me toe.
Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen.
‘En het liefst wilt u die stille donkere ziel als uw echte ziel beschouwen.’
Je lacht in je slaap. Je schudt je hoofd.
Je roept dat ik die andere ziel ben, die lichte ziel, die op weg is naar jou, die reist, die bergen en dalen ziet, zeeën oversteekt, mensen aanklampt, verhalen verzint en steeds dichter bij jou komt.
‘Wees trots op die ziel, en niet op die andere.’
Wat je ook denkt, ik zit aan deze kant van de rivier en jij bent aan de andere kant, en met jou de hele wereld en mijn rare doorzichtige leven.
Misschien kan ik een gat in de grond graven hier, zo diep dat ik erin verdwijn, zo donker dat ik op de tast verder graaf, stenen voel, een deur, steeds dieper onder de grond, een kamer, een bed, de omtrekken van een vrouw, haar hals, haar mond.
‘Je moet het zelf weten’, roep je.
Uit: Brieven aan Doornroosje, Toon Tellegen, Querido, 2004
Afb: www.kdl.to
No comments:
Post a Comment