Het Nederlands is de taal die ze ten zuiden van Brussel knarsetandend ‘de verplichte tweede’ noemen, en in de rest van de wereld de ‘helemaal niet verplichte, maar wel grappige’. Voor hen die het Nederlands niet met de moederborst hebben meegekregen is onze taal hard en moeilijk kneedbaar. Ze laat zich wel zingen, maar ze heeft toch altijd knieën en ellebogen die in de weg zitten. We doen maar wat met de en met het. We hebben een g en een h. We bakken pannenkoeken in één pan. Soms lenen we woorden, en doen we alsof we de modernste turbotaal van de wereld spreken, en een andere keer zijn we dan weer onwelvoeglijk of nooddruftig – al is het langgeleden dat er nog iemand nooddruftig is geweest.
Nee, Nederlands is een lastige taal. Ik kom uit een land waar ze het op twee manieren spreken, met een buurland dat er nog eens bepaalde ideeën over heeft, dus ik heb er ervaring mee. Je zult maar een Nederlands boek moeten lezen, laat staan dat je het moet vertalen, in – ik zeg maar wat – het Duits.
Vertalen is sowieso al ondankbaar, zeker als je het goed doet. Dan merkt geen mens dat je het hebt gedaan, want dan heb je het zo vertaald dat het leest alsof je het boek zelf hebt geschreven. Dan denken ze ineens dat – ik noem maar iemand – Bart Moeyaert een Duitse schrijver is. Dat is een compliment, want het betekent dat je als vertaler een tijdlang twee mensen bent geweest, in dit geval Bart Moeyaert en Mirjam Pressler.
Uit: 56 kilimeter, Bart Moeyaert
Querido Uitgeverij, 2004
No comments:
Post a Comment